
Marquette werd in 1909 door General Motors opgericht, nadat het concern Rainer over had genomen (van William Durant). Het werd onder Buick management gezet, maar een groot succes werd het niet, zodat in 1912 de stekker er al weer uit werd getrokken. Oude merknamen onder het stof vandaan halen is niet alleen nu een hobby, een eeuw geleden deden ze het ook al. Dus toen Buick in 1929 een merknaam zocht voor de juniorlijn van 1930, werd Marquette weer gereanimeerd.
Om elk mogelijk prijssegment af te dekken, lanceerde het GM concern merken als Viking, LaSalle, Pontiac en – jawel – Marquette. Laatstgenoemde werd op 1 juni 1929 aan het grote publiek gepresenteerd en moest een brug slaan tussen het degelijke Buick en het toegankelijkere Oldsmobile. In de prijsklassen lag Marquette net onder Buick, maar netjes boven Viking, dat dan weer via de Oldsmobile-dealers verkocht werd. U leest het goed: intern concurrentie voeren leek toen nog een goed idee.
De Marquette werd gebouwd op het bekende GM B-platform, dat hij deelde met de Buick Standard Six en de Master Six. Technisch was er ook iets opvallends aan de hand: waar Buick normaliter zweerde bij motoren met kopkleppen, kreeg de Marquette een klassieke zijklepmotor. De 3.5-liter L-head zes-in-lijn leverde 67 pk – geen wereldschokkend vermogen, maar netjes voor die tijd en het segment.
Het aanbod was beperkt maar gevarieerd: zes carrosserievarianten vormden samen de ‘Series 30’. Denk aan een Two-Door Sedan (Model 30), een Sport Roadster (Model 34), een open Phaeton (Model 35), een zakelijke Business Coupe (Model 36), een iets sjiekere Special Coupe (Model 36S) en natuurlijk een klassieke Sedan (Model 37, dat is de auto die ik voor dit artikel tijdens de 37e (!) oldtimer Elfstedentocht op de foto kon zetten). Prijzen lagen rond de 1.000 dollar, wat Marquette tot een serieuze optie maakte voor de middenklasse die net even iets méér wilde.
Qua uiterlijk onderscheidde de Marquette zich met een grille in visgraatmotief – een stijlkeuze die de nodige discussies opriep. De een vond het lijken op een compacte Cadillac, de ander zag er een verkleinde Oldsmobile in.
Toch leek de introductie een succes: in het eerste – en zoals zou blijken enige – productiejaar rolden er in de VS maar liefst 35.007 Marquettes van de band. In Canada kwamen er nog eens 6.535 bij. Dat zijn cijfers waar menig nieuw merk vandaag van zou dromen. Ter vergelijking: de meer gepushte Viking haalde in drie jaar slechts 7.224 exemplaren.
Waarom ging het dan tóch mis? Simpel gezegd: de Marquette was té goed. Oldsmobile-dealers klaagden steen en been omdat ze hun klanten aan de Marquette verloren, terwijl de Buick-top vond dat het model niet genoeg marge opleverde – zeker niet in tijden van economische neergang. En dus ging het merk net zo snel weer van het toneel als het gekomen was. Saillant detail: amper vier maanden vóór het doek viel, stuurde GM nog 4.000 Marquette-reclameborden naar de dealers. Of hoe optimisme niet altijd gelijk heeft.
Na de stop werd de motorproductie verhuisd naar Duitsland, waar het blok een tweede leven kreeg onder de motorkap van de eerste Opel Blitz. Daarmee was het eerste zaadje geplant voor de later grillige relatie tussen Buick en Opel – een band die uiteindelijk pas in de 21ste eeuw definitief werd doorgeknipt toen GM Opel verkocht.
![]()
De Marquette mag dan een kort leven gehad hebben, zijn verhaal is er één van grote plannen, slimme techniek en net wat te veel interne concurrentie. Een typische GM-tragedie, in visgraatverpakking.
